Johan Doesburg

Van Theaterwiki

Ga naar: navigatie, zoek


minibiografie in toneel

Johan Doesburg (1955)werkte als weekendhulp in een psychiatrische inrichting, als drager bij een begrafenisonderneming, als taxichauffeur, als ambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs, als leraar Nederlands. Johan Doesburg studeerde Nederlands en Pedagogiek, studeerde af in theaterregie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Johan Doesburg maakte theater bij Jeugdgevangenis De Spang Den Haag, Toneelgroep Amsterdam, NES-theaters Amsterdam, Stichting Korzo-theater en Het Gebeuren Den Haag, Theater aan de Haven Scheveningen, Stichting De Bastaard Den Haag, jeugdtheater Teneeter Nijmegen, Ro Theater Rotterdam, Impressariaat Hummelinck Stuurman Amsterdam en (tot op de dag van vandaag) bij het Nationale Toneel in Den Haag.



D E V O O R S T E L L I N G E N 1 9 8 7 - 2 0 0 6

Het vuil, de stad en de dood Rainer Werner Fassbinder beoogde première: 20 november 1987, Theater de lantaarn, Rotterdam beoogde afstudeervoorstelling Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, afdeling regie. Er zijn gelukkiger manieren om een loopbaan als regisseur te starten. Deze voorstelling is er (toen) niet gekomen. De eerste try-out (18 november 1987, in voornoemd theater in Rotterdam) werd in de eerste minuut verstoord. Tegenstanders van het stuk bezetten het speelvlak. De enige voorstelling van deze produktie die wél werd gespeeld, was besloten en is slechts gezien door honderd voorstanders en honderd tegenstanders. Daarna werd de voorstelling afgeblazen. Het hoe en waarom is terug te zien, in de documentaire De Fassbinder-affaire, in 1998 gemaakt door Nettie van Hoorn, in de NPS-serie 'De Affaires' - op te vragen bij www.nps.nl. Doesburg revancheerde zich in 2002. Daarover later meer.

Betrayal(Bedrog, Harold Pinter première 1988, Theater de Brakke Grond, Amsterdam afstudeervoorstelling Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, afdeling regie. Johan Doesburg studeerde alsnog af als regisseur. Hij regisseerde Mark Rietman, Mijs Heesen en Jaap ten Holt in Pinters achterstevoren-vertelling over een driehoeksverhouding, Bedrog, hier gepresenteerd onder de Engelse titel. De acteerprestaties, met name die van Mark Rietman, werden geprezen. Meest opvallende (en voorspelbare) reactie onder het toneeljournaille: We hadden het hem zo gegund, na de risico's die hij nam met dat boze stuk van Fassbinder.

Mein Kampf, George Tabori première: januari 1989, Theater Bellevue, Amsterdam een voorstelling van Toneelgroep Amsterdam. Artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, Gerardjan Rijnders: 'De keuze voor dit stuk is van Doesburg zelf, en het is een consequente keuze. Ik denk dat hij in ieder geval nadenkt over zijn repertoire.'

Mein Kampf van de van oorsprong Hongaarse schrijver George Tabori (1914) behandelt een nauwelijks bekende episode in het leven van Adolf Hitler, de tijd dat hij als aspirant beeldend kunstenaar probeerde te studeren in Wenen, en verbleef in een armoedig logement voor dak- en thuislozen in diezelfde stad. Tabori laat hem daar kennismaken met de joodse schlemiel Schlomo, die - op het moment dat Hitler zichzelf voorstelt - reageert met de oneliner: 'Vreemd, U ziet er helemaal niet joods uit'. Hitler werd in deze voorstelling gespeeld door Pierre Bokma, die voor zijn rol een nominatie kreeg voor de Louis d'Or.

Muizen en mensen, bewerking van de roman van John Steinbeck een voorstelling van de jeugdtheatergroep Pssst, Den Haag (1989). Ton Theo Smit, die ook de vertaling van Mein Kampf verzorgde, maakte met Doesburg de bewerking van Steinbecks roman. Het was de eerste samenwerking van Doesburg met acteur Jack Wouterse. De produktie haalde in totaal 130 voorstellingen en is door de lokale Haagse kabeltelevisie (verre voorloper van TVWest) op video geregistreerd.

Spookhuis, een co-regie met Guusje Eijbers première in 1990, in de voormalige Staatsdrukkerij, Fluwelenburgwal, Den Haag; een produktie van Het Gebeuren/Theater aan de Haven. In het kader van een zomers festival op Het Plein in Den Haag werden de regisseurs Doesburg en Eijbers uitgenodigd 'iets' te maken in het uitgewoonde (en nu helaas afgebroken) gebouw van de voormalige Staatsdrukkerij, op een steenworp afstand van én Het Plein, én de locatie van het huidige stadhuis van Den Haag, én de Koninklijke Schouwburg (Doesburg is steeds 'dichtbij huis' gebleven). Het publiek dat Het Spookhuis bezocht, dwaalde in groepjes van ongeveer twintig mensen van locatie naar locatie. Eijbers creëerde er onder meer een stijldans met gasmaskers. Doesburg haalde alsnog zijn gram over de afgelaste Fassbindervoorstelling, door in de papierkelder van de voormalige staatsdrukkerij in het pikkedonker een gasfles (overigens gevuld met zuurstof) te laten sissen, en in het langzaam opflakkerende licht een bejaarde Haagse acteur (gezeten in een rolstoel) de beruchte monoloog van A. die de rijke jood wordt genoemd, uit Het vuil, de stad en de dood te laten spreken: 'Ik kan mij er onmogelijk iets van aantrekken of kinderen huilen, of oude mensen, gebrekkigen lijden. Ik heb ook geen andere keus. En het woedende gekrijs van sommigen, daar luister ik gewoon niet naar.' Deze keer mocht het allemaal gewoon doorgaan.

Watersnood, een tekst van Ton Theo Smit, Matthieu Verstegen en Johan Doesburg première: 28 september 1990, Theater aan de Haven, Scheveningen een produktie van Het Gebeuren/Theater aan de Haven. Een slachtoffer van de waternoodsramp in 1953, keert voortdurend terug naar de plek waar hij de geschiedenis van zijn slachtoffer-zijn publiekelijk (althans voor zijn kinderen) in stand houdt. Daar treft hij een van overheidswege in leven gehouden slachtoffer van dezelfde waternoodsramp (althans van de directe gevolgen daarvan, nl. de Deltawerken) aan. De confrontatie tussen deze twee slachtoffers - de dijken braken in Watersnood opnieuw, middels een ineenstortende muur van emmers (beeld van Elly op 't Land) - was de kern van deze, met een schrijfsubsidie van de overheid gehonoreerde produktie. De tekst van het stuk is - met als ondertitel Een verhaal over leven, dood en overleven indertijd door Het Gebeuren gepubliceerd.

Grieks, Steven Berkoff première: voorjaar 1991, voormalige Staatsdrukkerij, Fluwelenburgwal, Den Haag; een produktie van Stichting De Bastaard (waar het werk van de regisseurs Johan Doesburg en Guusje Eijbers ondertussen was ondergebracht). Het stuk was al eens gedaan door Toneelgroep Theater (regie: Gees Linnebank), in een 'Nijmeegse' bewerking van Marcel Otten. Speciaal voor Doesburg en zijn acteurs maakte Otten een 'Haagse bewerking', die de informele ondertitel 'Oidipous in de Schilderswijk' kreeg. Er werd gespeeld door Ronald de Bruin, Jack Wouterse, Ariane Schlüter en Mirjam Sternheim . Berkoff (1939) is als auteur een van Doesburgs grote liefdes geworden - Grieks zou uiteindelijk worden gevolgd door nog drie regies van stukken van zijn hand. De voorstelling stond op locatie op de tweede verdieping van de voormalige Staatsdrukkerij. Gerben Hellinga schreef in Vrij Nederland: 'Grieks zou altijd vol moeten zitten', en daarmee was weinig miszegd. De 'Haagse bewerking' van het stuk is opgenomen in de bundel Steven Berkoff, tekst en contekst, een uitgave van Het Nationale Toneel en de Uitgeverij International Theatre & Film Books (Amsterdam 1993), waar trouwens alle Berkoff-teksten die Doesburg heeft geregisseerd in zijn opgenomen. Marcel Otten werd voor zijn vertalingen van Berkoff genomineerd voor de Prosceniumprijs.

Victor (of de kinderen aan de macht), Roger Vitrac première: oktober 1991 in Het Badhuis, het theater van de Nijmeegse jeugdtheaterformatie Teneeter. De tweede jeugdtheatervoorstelling van Doesburg. In een decor gedomineerd door een modelspoortrein regisseerde hij een bewerking voor jongeren van dit pre-absurdistische stuk (uit 1928) van de Franse surrealist Roger Vitrac (1899-1952). Over het verschrikkelijk intelligente en unieke, twee meter lange kind Victor, die op zijn negende verjaardag besluit zijn omgeving te terroriseren. Van de voorstelling bestaat een videoregistratie, die opvraagbaar is bij de opvolger van Teneeter, het Nijmeegse jeugdtheatergezelschap Kwatta. Overigens is de eerste Nederlandse vertaling van Victor of de kinderen aan de macht (door Remco Campert) verschenen bij de Bezige bij (Literaire Reuzenpocket 67 (Amsterdam 1963), alleen nog antiquarisch en in de betere bibliotheek verkrijgbaar.

Vastgoed B.V., David Mamet première: februari 1992, Stadsschouwburg Amsterdameen produktie van Toneelgroep Amsterdam. Om te beginnen een vertaalfeest, waarin Doesburg en Marcel Otten elkaar de loef probeerden af te steken in Haagse 'onroerendgoed-bijdehandigheid' (Johan Doesburg in zijn voorwoord bij een bundel Otten-vertalingen). Mamets Glengarry Glen Ross (in hetzelfde jaar briljant verfilmd door James Foley, met o.a. Al Pacino, Jack Lemmon en Kevin Spacey) werd bij Toneelgroep Amsterdam een Kneuterdijkse taalvirtuozo en een acteerkermis (met mooie rollen van onder meer Mark Rietman, Hajo Bruins en Pierre Bokma. Die laatste kreeg opnieuw een nominatie voor de Louis d'Or. En kreeg de prijs opnieuw niet. Ottens vertaling is opgenomen in de bundel Vertaling/bewerking Marcel Otten (Uitgeverij International Theatre & Film Books, Amsterdam 2000), met, zoals gezegd, een voorwoord van Johan Doesburg. Gevleugelde en meest geciteerde zin uit de (terecht) geroemde vertaling: 'Zie je straks bij de Jap / schuiven we een rauwe vis naar binnen.'

Wachten op B., vrij naar Wachten op Godot van Samuel Beckett première: voorjaar 1992, voormalige Staatsdrukkerij, Fluwelenburgwal, Den Haag; een produktie ter gelegenheid van het Haagse Beckett-festival. Van toneeljournalist Marian Buijs mochten Fred van der Schilde en Jack Wouterse meteen de complete klassieker van Beckett spelen. Het betrof hier een inkorting/bewerking. Het speelplezier dat van de foto van Pan Sok afstraalt, wás ook daadwerkelijk in ruime mate aanwezig.

Lunch, Steven Berkoff première: mei 1992 in Theater Zeebelt, Den Haag; lunchvoorstelling in co-produktie van Stichting De Bastaard en Theater Zeebelt. En treurige hotelontmoeting tussen twee dolende zielen, gespeeld door Jack Wouterse en Ariane Schlüter. Het diamantje werd opnieuw meesterlijk vertaald door Marcel Otten en is opgenomen in de eerder genoemde bundel Steven Berkoff, tekst & contekst (met een inleiding van de vertaler).

Eminente ballingen, Christopher Hampton (vrij naar diens toneelstuk Tales from Hollywood) première: najaar 1992, Theater Frascati (grote zaal); co-produktie van Stichting De Bastaard, NES-theaters en Theater Korzo. Artistiek leider van de NES-theaters, Joost Sternheim, heeft dit project nog geïnitieerd, hij heeft de voorstelling niet meer kunnen zien. Joost Sternheim overleed in de zomer van 1992. Hamptons stuk (in hetzelfde jaar als televisiefilm gedraaid door Jeremy Irons, die ook de hoofdrol speelde, naast onder meer Alec Guiness als Thomas Mann) vertelt het verhaal over de Duitse kunstenaars (en hun aanhang) die voor de nazi's in onvrijwillige ballingschap waren gegaan en in de slagschaduw van Hollywood, in Beverly Hills, terecht waren gekomen. De vertelling wordt gemaakt vanuit het perspectief van een schrijver die daar niet bij kon zijn: Ödon von Horvath (in 1938 in Parijs - op de vlucht voor nazi's - om het leven gekomen door een omvallende boom op een Parijse boulevard). In het stuk komen onder meer Thomas en Katia Mann aan bod, naast Thomas' radicale broer Heinrich, zijn tragische echtgenote Nelly en Bertolt Brecht. Gespeeld werd onder meer door Dick van Duin, Harriët Stroet, Rupert van Heiningen en Esgo Heil.

Decadence, Steven Berkoff première: april 1993, Theater aan het Spui, Den Haag; een produktie van het Nationale Toneel. Doesburgs eerste regie bij HNT, nu nog als gastregisseur. Hij en vertaler Marcel Otten droegen het stuk zelf aan - Otten wilde het O.S.M. ('ons soort mensen') noemen, en onder die titel is de vertaling ook gepubliceerd in de eerder genoemde verzamelbundel Steven Berkoff, tekst & contekst). De tekst werd dermate shockerend gevonden dat er een delegatie van het bestuur van HNT aan te pas moest komen om een en ander doorgang te kunnen laten vinden. En toen ging het toch nog bijna mis. Het oorspronkelijke affiche, waarop Gijs Scholten van Aschat een soevereine koningspoedel hard-van-achteren neemt, werd afgekeurd. Waarna een nieuw affiche werd gemaakt, met de naakte Jacqueline Blom en dezelfde, nog altijd soevereine koningspoedel. In het decor hing een reproduktie - op ware grootte - van Newmans geruchtmakende schilderij Who's afraid of the red, yellow and blue, in het nieuws omdat een opgewonden museumbezoeker het met een stanleymes had toegetakeld, waarna een peperdure maar nogal amateuristisch uitgevoerde restauratie volgde: decadentie troef allemaal. Geheel in de stijl van het stuk. Een soort ménage-à-quatre. Hier uitgevoerd door de eerder genoemde Jacqueline Blom en Gijs Scholten van Aschat. Deze kreeg voor de rol de Louis d'Or. De voorstelling werd uitgenodigd naar het Theaterfestival 1993. Een registratie maakt deel uit van de mediatheek van het Theater Instituut Nederland (tape VK4978) en is aldaar te bekijken.

Trial Run, Nigel Williams première: najaar 1993 in kleine zaal van de Rotterdamse schouwurg, als 'double-bill' gepresenteerd, samen met de voorstelling Andorra (vrij naar Max Frisch) in de regie van Ted Keijzer; produktie van het RO Theater. Dit gijzelingsdrama van de schrijver die bekend werd met het stuk Class Enemy, werd oorspronkelijk geschreven met Indiaas-Pakistaanse gijzelnemers in een Londens warenhuis, hier vertaald naar Surinaamse jongens die in een Hema-filiaal personeel en klanten in gijzeling nemen, primair om aandacht voor de maatschappelijke positie van Surinaamse jongeren te vragen. Een politiek-correct, sympathiek werkstuk, maar ook niet meer dan dat.

Céline 1 op teksten van Louis-Ferdinand Céline (1994); produktie Impressariaat Hummelinck-Stuurman. Acteur Hans Dagelet wilde een solo (begeleid door vijf altviolisten) maken op basis van teksten van de Franse schrijver Céline (1894-1961) onder meer schrijver van Reis naar het einde van de nacht, Moord op crediet). Hij had een boeiende stapel materiaal, een hoop goede ideëen, maar ernstig behoefte aan een kritisch oog. Johan Doesburg werd ingehuurd om het project als regisseur te begeleiden. De onderneming gooide hoge ogen en werd als kleine zaal-produktie goed verkocht. Het smaakte naar meer en dat 'meer' zou later volgen.

06, op basis van geïmproviseerde teksten van Ad van Kempen en Ariane Schlüter première: februari 1994, Het Kijkhuis, Den Haag; produktie van Stichting De Bastaard. Met de roman Vox van de Amerikaanse auteur Nicholson Baker - een literair verhaal over één erotisch telefoongesprek - stapte Doesburg naar schrijver Willem Jan Otten met het verzoek dit boek te bewerken voor toneel. De onderneming strandde op de rechten: Baker persisteerde bij de vertelling en wenste op geen enkele wijze in een bewerking toe te stemmen (ook niet voor een Hollywood-film). Daarop besloot Doesburg het thema van erotische telefoongesprekken tot onderwerp van improvisaties tussen zijn acteurs Ad van Kempen en Ariane Schlüter te maken. Dat werd de voorstelling 06, later onder dezelfde titel verfilmd. De situatie is deze: man - in werkruimte - en vrouw - in huiskamer - voeren een serie erotisch getinte telefoongesprekken. Dat gaat goed zolang ze anoniem blijven. In het Haagse filmhuis Het Kijkhuis (naast Theater aan het Spui) waren dertig cabines ingericht voor even zo veel individuele toeschouwers, die beschikten over een eigen monitor en over de mogelijkheid vrijelijk van de man naar de vrouw v.v. te schakelen. In een kleedkamer, enkele honderden meters verderop, speelden Ad van Kempen en Ariane Schlüter in een gemilimeterde mise-en-scène voor vaste camera's. De toeschouwer creëerde in de kabines zijn eigen voorstelling(en). Dit ultieme voyeursperspectief werd in de verfilming (vrijwel direct aansluitend aan de theaterversie door Theo van Gogh gemaakt) beslissend veranderd: de camera werd derde, meekijkende 'persoon'. De film 06 was een enorm succes, werd in 1994 bekroond met de prijs van de Nederlandse Filmcritici, Ariane Schlüter ontving op het Nederlands Film Festival de speciale Juryprijs, 06 werd namens Nederland voorgedragen voor The Academy Awards 1995. Een re-make van de film in Amerika is ondertussen in voorbereiding.


Nirvana door Arthur Kopit première: voorjaar 1994, Stadsschouwburg Amsterdam; produktie van Toneelgroep Amsterdam. De stukkeuze stond al vast, de cast ook, alleen de regisseur viel uit en Doesburg viel in. Hij mikte op uitvoering in de Amsterdamse Vondelkerk maar dat bleek logistiek onmogelijk. Dus werd het de Stadsschouwburg. Het stuk, over de mythe van het sterrendom, bleek niet erg sterk. Doesburg: 'Er lag al teveel vast. Dan kun je je eigen bed niet opmaken. Je begint met iets wat er eigenlijk al een beetje is. Dat zet je op voorhand op achterstand.'

Troilus en Cressida, William Shakespeare première: najaar 1994, Koninklijke Schouwburg Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Vanaf het seizoen 1994-1995 is Johan Doesburg 'tweede man' naast Ger Thijs in de artistieke leiding van Het Nationale Toneel. Twee van de motieven om die stap te doen verwoordt Doesburg als volgt: 'Ik wil de grote zaal verkennen en veroveren - een weinig populair streven onder mijn generatie regisseurs (Doesburg is dan 38). En ik wil Shakespeare-stukken regisseren, om te beginnen de zgn. problem plays, die niet zo heten omdat ze een probleem herbergen (dat doen eigenlijk alle stukken van Shakespeare), maar omdat ze on-catalogiseerdbaar zijn - geen tragedie, geen komedie, geen koningsdrama.' Troilus en Cressida (1602) is Doesburgs eerste Shakespeare. De liefdesgeschiedenis, zich afspelend in de 'achtertuin' van de Trojaanse oorlog, knalde uit de lijst van de 'Oude Dame' (koosnaam van Hagenaars voor de Koninklijke Schouwburg). Meesterzet: een rondedans van stapelbedden op Prokofjev's balletmuziek voor Romeo en Julia. Vondst: de tegenstanders - Grieken en Trojanen - werden in meerderheid door dezelfde acteurs gespeeld. Gerrit Komrij herzag de vertaling die hij in de jaren tachtig voor Gerardjan Rijnders maakte. Doesburg gebruikte die nieuwe vertaling slechts gedeeltelijk. De eerste beviel hem beter. Troilus en Cressida kreeg een nominatie voor de Gele Gids Publieksprijs.

Dood en duivel, Peter Turrini première: voorjaar 1995, Theater aan het Spui, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Een modern passiespel van de Oostenrijkse auteur Turrini: een katholieke priester op zoek naar het vuil in de wereld. Meesterlijke hoofdrol van Esgo Heil. Het christelijk-liberale dagblad Trouw sprak over 'grote kunst'. Maar het merendeel van het journaille vrat de Oostenrijkse kruiswegstatiën niet en reageerde fanatiek venijnig.

Eind goed al goed (All's well that ends well), William Shakespeare première: voorjaar 1995, Theater aan het Spui, Den Haag; produktie: het Nationale Toneel. Kim Zeegers regisseerde dit problem play van de Zwaan van Avon, moest echter afhaken, Doesburg nam de regie over. De voorstelling kreeg een nominatie voor de Gele Gids Publieksprijs.

Julius Caesar, William Shakespeare (bewerking: Ger Thijs) première: september 1995, Stadhuis Den Haag (Atrium); produktie: het Nationale Toneel in opdracht van de Gemeente Den Haag. Planning en en bouw van het nieuwe stadhuis van Den Haag werden begeleid door een langlopende politieke vete rondom twee sociaaldemocratische wethouders, die er beiden hun Haagse politiek kop door zagen rollen. Toen de gemeente Den Haag aan Het Nationale Toneel vroeg een voorstelling te maken ter gelegenheid van de opening van dit prestigieuze bouwwerk, viel Doesburgs keuze op Shakespeare's Julius Caesar - onder meer omdat de beroemdste zin van deze beroemdste Romeinse keizer 'Ook Gij, Brutus!', refereert aan een partijtwist die tot moord en doodslag leidt. Vijf kwartier toneel, een uitgelezen cast acteurs van het Nationale Toneel, tweehonderd figuranten, paarden van de Haagse bereden politie - en dat alles in het hoogste atrium van Nederland.

Soekarno, Jan Blokker première: november 1995, Koninklijke Schouwburg Den Haag; produktie het Nationale Toneel. De vijftigste verjaardag van zowel de politionele acties van Nederland tegen Indonesië, alsook van de onafhankelijkheid van dat land, was midden jaren negentig van de vorige eeuw aanstaande. Reden genoeg om de loopbaan van de kleurrijkste opposant van de polderlandse buitenlandse politiek van het Koninkrijk der Nederlanden in de twintigste eeuw, Bung Karno ofwel Soekarno, de eerste president van het onafhankelijke Indonesië, tot hoofdpersoon van een toneelstuk te maken. De schrijfopdracht daartoe werd verleend aan de nestor onder de pleitbezorgers van zorgvuldige omgang met onze historie, journalist, publicist en scenarist Jan Blokker. Zijn toneelstuk Soekarno in Doesburgs regie was - behalve een media-event - een cultuurpolitieke daad van belang. De regisseur zelf in retrospectief: 'Het initiatief om zo'n belangrijk brok geschiedenis van Nederland en haar kolonies op het toneel te brengen stemde mij zeer dankbaar.' De voorstelling Soekarno kreeg een nominatie voor de Gele Gids Publieksprijs. Victor Löw (die Soekarno vertolkte) kreeg de Louis d'Or voor zijn rol. De voorstelling werd op video geregistreerd, er werd tevens een documentaire gemaakt over het repeteren aan het stuk. Beide tapes zijn aanwezig in de mediatheek van het Theater Instituut Nederland (resp. tapes VK438 en VK6280), en aldaar te bekijken.

Mystiek lichaam, naar de roman van Frans Kellendonk (in een bewerking door Johan Doesburg en Ariane Schlüter) première: voorjaar 1996, Theater aan het Spui, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Frans Kellendonk (1951-1990) was een van de meest getalenteerde Nederlandse auteurs van de vorige eeuw. Zijn boek Mystiek lichaam (1986) is een hoogtepunt in onze naoorlogse literatuur. Drie oer-botsingen in één vertelling: man versus vrouw, homo versus hetro, joodse versus christelijke cultuur. Doesburg: 'En dat alles in een context van Stiefbeen & Zoon, op afstand de meest favoriete televisieserie uit mijn kindertijd, waarvoor ik mocht opblijven. En by the way, aan Kellendonk is een literair genie verloren gegaan. Onze bewerking - met toestemming van uitgever en erven - was minstens ook een monument voor deze grote schrijver.' De voorstelling was inderdaad een hommage aan Kellendonks krachtige vertelling, onder meer door kaalslag in mise-en-scène, en door het spel - Hans Croiset als de vader, Ariane Schlüter als de dochter en Jeroen Willems als de zoon. Mystiek lichaam werd uitgenodigd voor het Theaterfestival. Ze is op video geregistreerd, opgenomen in de verzameling van het Theater Instituut Nederland (tape VK6818), en aldaar te bekijken.

Céline 2, een solo op teksten van Louis-Ferdinand Céline première: najaar 1996, Koninklijke Schouwburg Den Haag, samengesteld door Hans Dagelet en Johan Doesburg, gespeeld door Hans Dagelet, zes strijkers en drie danseressen; produktie het Nationale Toneel. Een vervolg op Céline 1 (uit 1994), waarmee de voorstelling ook voortdurend werd vergeleken. En die vergelijking viel uit in het nadeel van deze 'sequel'. Waarvan acte!

Massage, Steven Berkoff première: eind 1996, Theater aan het Spui, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Voorlopig laatste in de serie stukken van Steven Berkoff, opnieuw in een vertaling van Marcel Otten (tekst opgenomen in de eerder genoemde bundel Steven Berkoff, tekst & contekst). Met Betty Schuurman, Ad van Kempen en Jack Wouterse.

Titus Andronicus, William Shakespeare première 1997 in het Stadstheater te Zoetermeer; produktie het Nationale Toneel. Het onspeelbaar geachte jeugdwerk, waarover de Poolse Shakespeare-kenner Jan Kott ooit schreef, dat áls er een zesde bedrijf aan dit stuk zou worden toegevoegd, de eerste rij toeschouwers zou moeten worden vermoord, bij gebrek aan potentiële slachtoffers op het toneel. Titus Andronicus toont messcherp de cirkelgang van de haat, en was als voorstelling een onnadrukkelijk commentaar op de gebeurtenissen op dat moment in de onderbuik van Europa. De start was een valse - door de verbouwing van de Koninklijke Schouwburg moest de première plaatsvinden in een theater dat daarvoor eigenlijk niet geëigend was. De voorstelling was strak van vorm, licht en spel. Ze verwierf een nominatie voor de Gele Gids Publieksprijs.

Lulu, Frank Wedekind première: najaar 1997 in het voormalige zwembad De Regentes, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Bij dit omvangrijke en belangwekkende toneelstuk van Frank Wedekind (1864-1918) hoort niet één jaartal maar een hele lijst: tussen 1892 en 1895 tijdens een verblijf van Wedekind in Parijs en Londen is het stuk in grote lijnen geconcipieerd. Daarna uitgewerkt in twee afzonderlijke tragedies, Erdgeist (1898) en Büchse der Pandora (1904). Pas in 1913 (met de nodige zelfcensuur) samengevoegd tot Lulu. In 1988, negentig jaar na het verschijnen van het eerste deel van de Lulu-tragedie, bracht regisseur Peter Zadek in Hamburg de ongecensureerde oer-versie op het toneel. In 1990 regisseerde Ivo van Hove deze oerversie bij Toneelgroep Amsterdam. Doesburg: 'Tot vervelens toe werd mijn locatieversie van Lulu vergeleken met die van Van Hove in de Stadsschouwburg. Men leert ermee leven. De locatie was goed, de spelersploeg misschien niet coherent genoeg. Lulu is een van de weinige stukken die ik nóg eens zou willen doen. En raar genoeg, ik denk nu te weten hoe het moet: Lulu zwijgt. Als ze reageert is dat in doventaal. Ze wordt begeerd, hunkert naar liefde, weet dat dat er niet meer in zit en heeft zich teruggetrokken in een cocon van zwijgen. Het patent op dit regie-concept is bij deze gedeponeerd.'

Waterlanders, op basis van improvisaties door acteurs première: voorjaar 1998 in De Regentes, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Er was een optie op de laatste toneeltekst van de in 1995 gestorven auteur Heiner Müller, Germania III - spoken bij de dode man - een inktzwarte terugblik op vijftig jaar Duitse geschiedenis. Dat stuk bleek een dermate hermetisch massief Teutoons mausoleum, dat Doesburg van opvoering afzag. Te elfder ure besloot hij zijn spelerstroep voor te leggen samen, op basis van improvisaties, een voorstelling te ontwikkeling over vijftig jaar Nederlandse geschiedenis. De spelers gingen akkoord. De werktitel werd ook de titel: Waterlanders - waarin zowel het verdriet van Nederland als de volksaard werden samengebald. De ingrediënten van de voorstelling - solo's, scènes met tweëen of drieën, een doorlopende soapserie in afleveringen, een oude vrouw die zowel de introspectie als de retrospectie belichaamde - klopten, ook het gebruik van de locatie (een soort arena waarin het publiek van drie kanten toekeek) was goed. De voorstelling werd (letterlijk) voorafgegaan door een tentoonstelling, waarin alle medewerkenden aan Waterlanders (anoniem) voorwerpen uit hun persoonlijke geschiedenis in vitrines uitstalden. Doesburg: 'Wat de voorstelling miste was een coherente bodem, een traceerbare rode draad. De beslissing om het avontuur aan te gaan was wellicht te onbesuisd genomen, het avontuur zelve evenwel, was een niet te missen gebeurtenis.' Voor de bijdrage van actrice/schrijfster Annemarie Prins aan deze voorstelling, kreeg zij de Albert van Dalsum-prijs.

Hamlet, William Shakespeare première: najaar 1998 in De Regentes; later in het seizoen 1998-1999: reisvoorstelling langs schouwburgen; produktie het Nationale Toneel. Iedere tragedie kent zijn eigen bijkomende tragedies. Bij deze Hamlet hoort het feit dat de verbouwing van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag - waar dit de openingsvoorstelling voor had moeten worden - ernstig stagneerde. Indachtig de tegelwijsheid van een bekend voetballer, heeft ieder nadeel ook zijn voordeel: deze Hamlet kwam uit op locatie (het voormalige zwembad De Regentes) en die locatie bleek (om Doesburgs favoriete woord te citeren) 'helemaal top'. Helaas is de oekaze van Johan Cruijff ook omgekeerd waar: ieder voordeel kan in een nadeel verkeren. De locatie-Hamlet moest vervolgens op reis langs de schouwburgen. Sommigen - zoals Peter Liefhebber van De Telegraaf - vonden die reisversie beter. Daar is de regisseur het niet mee eens. Doesburgs Hamlet zette geen generatieconflict neer (zoals de ongeveer gelijktijdig gepresenteerde versie van De Trust/Theu Boermans). Deze Hamlet werd geregisseerd vanuit de vraag (aan Hamlet): wat beteken je en wat kún je nog betekenen? Hamlet is op een verkeerde manier volwassen geworden, hij ontdekt dat aan de hand van zijn vader, die als het ware constant over zijn schouder meekijkt. En hij wil nog één keer zichzelf bewijzen. Hamlet breekt met Ophelia om haar de kans te geven een eigen leven op te bouwen, en om zijn eigen handen vrij te hebben om te handelen. Doesburg: 'De dood zat met mij nadrukkelijk in deze voorstelling. Als je vader sterft, dan ben jij de volgende, je schuift op in de tijd - een zinnetje dat ik vaak letterlijk tegen titelrolvertolker Gijs Scholten van Aschat heb gebruikt. Met daaraan gekoppeld de vraag: wat is daarvan de consequentie?' Gijs Scholten van Aschat is voor zijn vertolking van Hamlet genomineerd voor de Louis d'Or. De locatieversie van de voorstelling is geregistreerd op video, en die tape berust bij het Theater Instituut Nederland (onder tapenummer VK3573), en is daar te bekijken.

Blasted, Sarah Kane première: mei 1999 in Theater aan het Spui, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. We volstaan met het citeren van enkele fragmenten uit de bespreking die Jan-Paul Bresser over Blasted schreef in Elseviers Weekblad. 'In al zijn onmacht komt hij binnen, de uitgerangeerde journalist Ian, die met zijn volgevreten lichaam de wereld via zijn tabloid in schaamteloos platte sjablonen laat weten dat er om de hoek weer een zooitje gruwelijke gewelddadigheden is gebeurd. (...) Jack Wouterse speelt die Ian. Hij ontmoet zijn vriendin Kate (Ariane Schlüter) op een hotelkamer. De ontmoeting is afschuwelijk. Van alles wat mensen bindt is niets over. Praten is zonder enig begrip, aanraken zonder gevoel. (...) Dan slaat de oorlog van buitenaf letterlijk de hotelkamer binnen. Een soldaat steekt de voor alle waarden blind geworden journalist de ogen uit. En daar staat Jack Wouterse, in de meest aangrijpende rol van het jaar, een mens zonder eigenschappen, met dode ogen. Wie het leven liefheeft put in de laatste minuten van 'Blasted' een vleugje hoop uit de bijna verlammende tederheid waarmee Kate de stervende Ian probeert te troosten. (...) Dat beeld verbindt duizenden jaren theater met de werkelijkheid van vandaag. Oog in oog met een wereld die ook de onze is. Dat geeft de toeschouwer moed.' Blasted kreeg de publieksprijs van het Theaterfestival 1999 (gedeeld met Wilhelmina van Ton Vorstenbosch/Mette Bouhuys). Doesburg heeft de prijs niet persoonlijk in ontvangst kunnen nemen. Hij was op, overwerkt. De geplande regie van Tsjechovs Kersentuin heeft hij terug moeten geven. Vanaf januari 2000 is hij voorzichtig weer begonnen met werken. Een geplande regie van Jean Genets De meiden, door Marcel Otten opnieuw vertaald als De meisjes, met Pleuni Touw en Annemarie Prins, strandde op artistieke conflicten tussen de actrices onderling en de regisseur en werd afgelast. Eind 2000 begint Doeburg opnieuw te repeteren.


Het huis van Bernarda Alba, Federico de Garcia Lorca première Koninklijke Schouwburg Den Haag, 2001; produktie het Nationale Toneel, Den Haag. Een stuk met alleen maar vrouwen, opgesloten in een boerenhoeve op het Spaanse platteland, de moeder (Bernarda Alba) rouwend om haar zojuist gestorven echtgenoot, de dochters snakkend naar de liefde van de om het huis sluipende mannen. Doesburg over de (zijn) kern van dit stuk: 'Repressie leidt tot implosie, waar onderdrukking heerst gaan mensen verminkend gedrag vertonen - tegenover elkaar en tegenover zichzelf.' Bewerker Sophie Kassies schrapte rigoreus alle buitenstaanders. Dit stuk speelde zich af in een mausoleum van vrouwenverlangens. De vrouwen bewogen zich met een optimum aan beheersing door de lege ruimte (choreografie: Betsy Torenbos). Alles in deze enscenering was raak, tot in de details. Vooral door de snijdende eenzaamheid. Anne-Wil Blankers (in de rol van Bernarda Alba) en Pleuni Touw (als de huishoudster Poncia) werden veelvuldig geprezen. De voorstelling Het huis van Bernarda Alba is binnen vier maanden door zevenenzestigduizend bezoekers gezien.

King Lear, William Shakespeare première Koninklijke Schouwburg Den Haag, najaar 2001; produktie het Nationale Toneel Den Haag. De wijze waarop de beroemde openingsscène - Koning Lear vraagt zijn dochters wie van hen het meest van hem houdt - werd gespeeld, zette meteen een toon: er werd een spelletje Mens-Erger-Je-Niet gedaan bij de open haard, alles wat pijnlijk was werd charmant weggelachen, zelfs het wegsturen van de als stug en koud ervaren jongste dochter Cordelia werd als een grap weggezet. Tot Lears trouwste makker Kent (mooie rol van Rudolf Lucieer) zich ermee ging bemoeien, nuchter en hard: gaan we nu weer een beetje gewoon doen?! De Lear van Hans Croiset leek niet te horen wat Kent zei, hij keek alleen maar naar Cordelia met in zijn ogen de blik: het wordt toch wel weer leuk, zoals altijd? Maar het wordt nooit meer leuk, de hele zaak ligt aan diggelen. 'In de scènes daarna zie je Lear voortdurend de brokken opruimen, terwijl er achter zijn rug nieuwe worden gemaakt. Zo ontstaat een geraffineerd psychologisch portret van een arrogante hufter die te laat in de spiegel naar zichzelf heeft gekeken. Het is de dramaturgie van het uitstel, vooral het uitstel van empatische gevoelens voor Lear: de man reageert redeloos, wordt radeloos en is daarna reddeloos, maar sympathiek wordt hij aanvankelijk geen moment, omdat Lear iedere zelfreflectie mist.' (Loek Zonneveld in de Groene Amsterdammer) De voorstelling werd in de dagbladen onthaald op harde en enigszins vermoeide kritieken. Het publiek kwam massaal en reageerde enthousiast. Peter Brook in De lege ruimte (1968): 'Shakespeare stelt onbarmhartige vragen en is vervolgens heel verstandig: hij geeft geen antwoorden, hij heeft ons zijn stuk gegeven. De zin van het stuk ligt in het feit van de voorstelling.'

Johan Doesburg: 'King Lear, dat stuk ga ik zeker nog een tweede keer doen. Het hoort tot die stukken die je in de loop van je leven rustig twee of meerdere keren kan aanpakken.'

Gagarin Way, Gregory Burke première in de Guido de Moor-zaal, Den Haag, april 2002; (werkhuis)produktie van het Nationale Toneel. Opnieuw, net als Trial Run van Williams uit 1993, een gijzelingsthriller, maar nu met een scherpere politieke lading. In een fabriek in Schotland nemen twee collega's en kleine criminelen (ze verdienen een zakcentje bij met de zwarte handel in computerchips) een hoge zakenman in gijzeling. De een, Gary (Stefan de Walle) doet mee uit idealisme, de ander, Eddy (Dries Vanhegen) wil kapitalistische tegenstanders omleggen 'met inhoud'. De omgekochte bewaker van de fabriek (Bob Schwarze) blijkt politiek geëngageerd en leest de topwerken van het Franse existentialisme, wat tot talloze geestige dialogen leidt. De zakenman (Rudolf Lucieer) blijkt van Schotse bodem, een kenner van de mijnwerkershistorie van de regio, en een melancholicus, niet bang om te sterven. Waarmee de grond onder de intenties van de wereldverbeteraars wordt weggeslagen. Briljante tekst, subtiele dialogen, sterk spel. Helaas alleen op te zien op deze Haagse locatie, als werkhuis-produktie. Doesburg: 'De voorstelling had een toernee verdiend.'

Het vuil, de stad en de dood, Rainer Werner Fassbinder première in de Koninklijke Schouwburg, najaar 2002; produktie het Nationale Toneel. Vijftien jaar na de eerste, van het toneel afgedemonstreerde poging dit werk van Fassbinder (in de vertaling van Gerrit Bussink en in de regie van Johan Doesburg) op Nederlandse toneelplanken te brengen, slaagde de tweede poging wonderwel. Johan Doesburg was tot de artistieke leiding van het Nationale Toneel toegetreden onder de voorwaarde dat hij ooit Fassbinders gewraakte stuk in Den Haag in Nederlandse première kon brengen. De ploeg was hecht en sterk. Doesburgs regie-assistent uit 1987, Marjolein Polman was er weer bij, Harry de Wit verzorgde de levende (en levendige) muziek. Gespeeld werd onder meer door Marie-Louise Stheins (Roma B.), Lou Landré (A. die de rijke jood genoemd wordt), Stefan de Walle (Franz B.) en Peter Tuinman (de vader van Roma B.). Kritiek en publiek reageerden ontroerd en gegrepen. Behalve natuurlijk die enkele azijnpissers onder het journaille die constateerden dat Doesburg nu eindelijk zijn Fassbinder-'kunstje' had kunnen afmaken. De tekst is ter gelegenheid van de voorstelling opnieuw uitgegeven (uitgeverij Signature, Utrecht 1992), voorzien van een door toneelverslaggever Loek Zonneveld geschreven uitgebreid dossier over de opvoeringsgeschiedenis van het stuk tussen 1975 en 2002. Betsy Torenbos heeft een dvd-box rondom Het vuil, de stad en de dood samengesteld: dvd 1: historisch materiaal (3 uur 50 minuten) over de opvoeringsgeschiedenis en met name over de zgn. 'Fassbinder-affaire' in Nederland (1987/1988); dvd 2: registratie van Het vuil, de stad en de dood (het Nationale Toneel, seizoen 2002/2003, regie: Johan Doesburg, 1 uur en 50 minuten) opgenomen in de Koninklijke Schouwburg Den Haag; dvd 3: gesprek over de auteur, het stuk, de opvoeringsgeschiedenis en de voorstelling met regisseur Johan Doesburg; interview: Loek Zonneveld (2 uur en 33 minuten), beelden uit het repetitielokaal (34 minuten) en opnamen 'backstage' (7 minuten); dvd 4: Dichtbij Roma B., de voorstelling gezien vanuit en vanaf het centrale personage (1 uur 50 minuten). De dvd-box is te bekijken bij het Theater Instituut Nederland in Amsterdam en te leen via het Nationale Toneel.

Strange Interlude, Eugene O'Neill première april 2003 in de Guido de Moor-zaal Den Haag; produktie: het Nationale Toneel. Een toneelmarathon (vijf uur) van een van de keizers onder de Amerikaanse naturalistische toneelschrijvers. Centraal staat het leven van Nina, een mooie vrouw die de grote liefde van haar leven in de eerste wereldoorlog heeft verloren. Ze verandert in een harde, verbitterde dame. Ze troost zich eerst met de naïeve Sam die haar het kind moet schenken waarnaar ze verlangt. Maar vanwege erfelijke krankzinnigheid in zijn familie krijgt ze dat kind van Ned, haar minnaar. Om haar heen zwerft de sukkel Charlie die zijn hele leven vergeefs naar haar verlangt. Naast de dialogen spreken de toneelspelers uit wat ze denken. In Doesburgs voorstelling gebeurt dat als monologue intérieur. Wilfried Takken in NRC Handelsblad: 'Doesburg concentreert zich op de acteursregie en die is geweldig sterk. Dries Vanhegen geeft de wat vlakke rol van de sullige echtgenoot diepte en ontwikkeling. Mark Rietman speelt de minnaar, een stijve man met een koele facade die aan flarden wordt gereten door de opgewekte passie. Jappe Claes speelt de huisvriend als een grappige oudewijverige nerd. Ariane Schlüter is als Nina de schitterende spil van de voorstelling. Ongehoord knap hoe ze de verschillende stadia in Nina's leven gestalte geeft. Gesteund door de prachtige kostumering van Rien Bekkers transformeert ze van een stuurloos, verdrietig meisje in een wellustige vrouw, een kalme moeder, een bittere bezitterige vijftiger, en uiteindelijk in een vroegoude, berustende schim. Schlüter heeft het juiste mengsel van onschuld, wanhoop, verleiding en berekening en maakt van Nina een destructieve vrouw voor wie de mannen, en het publiek, moeiteloos vallen.' Ariane Schlüter kreeg voor de rol van Nina de Theo d'Or, de prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol van het toneelseizoen. Terecht!

Demonen, Lars Norén première: april 2004, Koninklijke Schouwburg, Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Johan Doesburg, vooraf aan het repetitieproces: 'Een van de beste stukken van Norén, eigenlijk een abc-relatiestuk, een hier-en-nu-tekst, vol briljante taalgrappen die een mythisch literair niveau hebben. Het is Freud maar dan gekwadrateerd en van alle kanten bekeken, onderzocht. Ik hoop het psychologisch realisme te vertekenen en te verscherpen. Ik hou namelijk niet zo van psychologisch realisme.' Het werd een uitputtende en emotionerende avond, boordevol met truth or dare. Doesburgs repertoirekeuze is in deze jaren opnieuw zeer consequent. Hij mag dan niet houden van psychologisch realisme, hij wil zich er wel toe verhouden, hij gaat de confrontatie niet uit de weg. Bert Jansma signaleerde in de Haagsche Courant: 'Weg van het huiskamerrealisme naar iets groters.' En hij vervolgde: 'Doesburg en zijn toneelspelers durven fysiek een heleboel aan en bereiken veel. Ariane Schlüter met een steeds terugkerend gevoel dat er altijd een zachte kant aan haar harde gevecht zit. Roef Ragas als de buurman wiens bestaan zo geattaqueerd wordt dat hij ook met de billen bloot moet. (...) Het is Gijs Scholten van Aschat die je het meest bijblijft. Alles zie je bij hem, de eenzaamheid van het weeskind in de wereld, de hunkering, het venijn uit wanhoop. Een repeteervuur van expressies, met de pijn steeds voelbaar onder de vlijmscherpe vormgeving van de komediant.'

Ivanov, Anton Tsjechov première: november 2004, Koninklijke Schouwburg Den Haag, produktie het Nationale Toneel. Johan Doesburg vooraf aan het repeteren: 'Ik heb nog geen verhouding met Tsjechov maar ik wil wel kijken of ik een verhouding met de zogeheten uitvinder van de subtekst, de teksten tussen de tekstregels, kan krijgen. Misschien is-ie wel zó onderhuids dat ik te expliciet ben voor dit type emoties. Ivanov - althans de oerversie van het stuk, ligt het dichtst bij mij. Ivanov probeert permanent zijn mislukkingen te analyseren, krijgt dat niet voor elkaar, verdrinkt erin. Er is een verbinding met Bruno en Michel in Houellebcq's Elementaire deeltjes dat ik hierna ga doen: "We leven nu in een periode dat iedereen die tijd heeft om te reflecteren moet constateren dat-ie een mislukking is." Publiek kijkt graag naar mislukkelingen, dat heeft dezelfde basisemotie als kijken naar goeie slapstick. Leedvermaak? Nee, het is meer. Met je neus gedrukt worden op hoe de dingen gaan zoals ze gaan. Tsjechov schetst mensen die wel spelen dat ze een geheugen hebben, maar ze vallen toch steeds in dezelfde valkuil. Zoals Laurel en Hardy steeds hun kop stoten aan dezelfde plank.' Misschien is Johan Doesburgs regie van Ivanov wel het meest beklemmende portret geworden van het personage dat hij ten diepste haat, maar waar hij ook mateloos door wordt geïntrigeerd: de mens die zwelgt in slachtofferschap. Iedereen heeft over Ivanov een oordeel klaar, niemand kent hem - hij zelf zichzelf al helemaal niet.

Elementaire deeltjes, naar de roman van Michel Houellebecq, bewerking: Sophie Kassies; première Guido de Moor-zaal, Den Haag, maart 2005; produktie het Nationale Toneel. De veelgeroemde roman van de beruchte en beroemde Franse schrijver was al een aantal keren voor het toneel bewerkt - maar nog niet door Johan Doesburg, een rabiate fan van Houellebecq. Waar zit de binding van de toneelmaker Doesburg met de schrijver Houellebecq? Johan Doesburg: 'Hij is scherp, op het cynische af soms. Maar het ontbreekt hem nooit aan hoop. Daarin zoek ik de ontroering. Hij is een vilein kritikaster van de politiek correcte jaren zestig uit de vorige eeuw, hij kapittelt zijn eigen verwekkers zonder mededogen, maar wel met de grootst mogelijke zelfspot en op een geestige wijze. Hij vervloekt het liberaal-kapitalisme in zijn werk minstens net zo hard als het feminisme, de gewild geposeerde homoseksualiteit, de islam. Houellebecq zit op de huid van zijn tijd.' Het decor van Doesburgs voorstelling (Tom Schenk) was bouwplaats en laboratorium tegelijk, een werkplek voor bijna acrobatisch ingestelde toneelspelers, een impressie ook van de fantasieloze flatgebouwen waarin zijn protagonisten verblijven. De broers Michel (een in zichzelf gekeerde moleculair bioloog, gefascineerd door de elementaire deeltjes binnen de quantummechanica) en Bruno (een aan seks verslaafde loser) werden intrigerend gespeeld door twee jonge toneelspelers: Bob Schwarze als de introverte bêta-gek en Pieter van der Sman als de oververhitte en knettergekke geilbroer. Doesburg koos in zijn regie voor sterke beelden en vergrootte details uit door een geraffineerd gebruik van video en muziek (voor dat laatste element was opnieuw Harry de Wit verantwoordelijk). Marco Weijers schreef in de Telegraaf: 'Lijkt in het boek vooral de woede te overheersen over het moreel failliet van de samenleving, deze vrije toneelbewerking van Elementaire deeltjes knipoogt meer naar de gebreken van onze tijd. Een gradueel maar niet onbelangrijk verschil. Houellebecqs maatschappijkritiek wordt zo zeker niet tandeloos gemaakt. Behendig ontwijkt deze voorstelling de valkuilen van betweterige pretenties en deprimerend nihilisme. Tegelijkertijd raakt het stuk je op onverwachte momenten.'

Phèdre Jean Racine première: november 2005, Koninklijke Schouwburg Den Haag; produktie het Nationale Toneel. Het is de eerste keer in zijn queeste door het wereldrepertoire dat Doesburg een Franse classicist aanpakt. Hij was, naar eigen zeggen, altijd lichtelijk bang voor die marmeren toneeltekstbouwwerken uit de zeventiende eeuw, gemetseld uit zesvoetige alexandrijnen (in het Frans ook nog eens berijmd). Maar hij viel uiteindelijk als een blok voor dit door Laurens Spoor briljant vertaalde stuk van Jean Racine uit 1677. 'Phèdre, c'est moi!' riep hij in een interview vlak voor de première. Het stuk gaat over een allesverzengde en afgewezen liefde van een moeder voor haar stiefzoon. Ze sterft omdat ze de eer aan zichzelf wil houden. Doesburg: 'Alles wordt beredeneerd. Een gedachte van één seconde is een halve pagina tekst! De liefde voor de stiefzoon mag niet. Maar als de vader dood wordt gewaand, dan mag die liefde ineens wel. De dubbele moraal is meesterlijk verwoord. Racine was een top-psycholoog, ver voor Freud.' Ariane Schlüter: 'De voorstelling gaat vooral over het feit dat liefde ook een ziekte kan zijn. Phèdre zegt dat ook: "Hoe machteloos is ongeneeslijke liefde'. Ze kan zichzelf en haar gevoelens niet ontvluchten. Het mooie is dat ze blijft hopen tegen beter weten in. Alle signalen wijzen op het tegenovergestelde. Dit is een verhaal van alle tijden.' Schlüter werd voor haar vertolking van Phèdre van alle kanten met superlatieven geprezen.

Oresteia Aischylos in de vertaling en bewerking van Janine Brogt vanaf 31 maart tot eind mei 2006 op locatie in Scheveningen; produktie het Nationale Toneel. Johan Doesburg: 'Deze stukken zijn stemmen van heel ver weg. Ze lijken ook voor driekwart niet meer te begrijpen - in de tijd dat ze ontstonden, zo'n 2500 jaar geleden - hoorden ze tot de volkskunst. Wil je je als toeschouwer laten overweldigen door wat deze teksten te bieden hebben, dan ontstaat er op het toneel een realiteit die elders, met andere middelen, niet meer te evenaren is. Toneel moet wat mij betreft de ruimte nemen om wat het christendom heeft laten liggen (of bewust heeft vernield) weer gestalte te geven: mythologische verhalen opnieuw vertellen, sterke beelden creëeren, rituelen initiëren, herontdekken dat de goden ooit zijn ontworpen om problemen te maken, om ze vervolgens met ach-en-wee aan te roepen om die stumperds op aarde te helpen met het maken van keuzes en het vinden van oplossingen. Het belang van de teksten van de Grote Grieken is onder meer het vinden van een antwoord op de referentieloosheid van deze tijd. We hebben de vrijheid gekregen om keuzes te maken, we kunnen er niet mee omgaan. Met als resultaat: eenzaamheid, machteloosheid, rancune, woede en wraakzucht.' Het derde deel van deze - overigens énige volledig bewaarde Griekse tragedie-trilogie - is een probleemstuk. De rechtspraak aan het slot - wat te doen met de moedermoordenaar Orestes - levert een moreel dilemma op. Johan Doesburg: 'Dat dilemma is vergelijkbaar met het Joegoeslaviëtribunaal in onze dagen. Als Milosevic (en misschien binnenkort Mladic) daar zouden stellen: ik sta op mijn staatkundige rechten, U, die zich "de internationale gemeenschap" noemt, heeft niet het alleenvertoningsrecht mij de juridische maat te nemen. Met Vietnam, de Afrikaanse burgeroorlogen in het achterhoofd, zou hij daar een punt hebben. Het slot van Aischylos' Oresteia zit boordevol morele en politieke dilemma's. Orestes wórdt de maat genomen. Wraak mag. Maar niet tegen de eigen familie. En zeker niet tegen je eigen moeder. Op het moment dat je de mens die jou heeft gebaard gaat afslachten, ga je over een grens. Athene was op het moment dat deze trilogie werd geschreven een kleine, jonge, democratische en utopische stadsstaat. Aischylos stelt aan die stadsstaat scherpe vragen.'


Plannen van Johan Doesburg bij het Nationale Toneel voor 2006-2007

Othello van William Shakespeare met jonge spelers voor grote zalen. En een bewerking (door Sophie Kassies) van De graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas. Kernthema: wraak.
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen
Zoeken
Lezen